Covers speech Dirk De Wachter

Voor ik de lofzang van deze bijzondere artiest zal bezingen, wil ik even stilstaan bij deze bijzondere plaats : Q46.  Het is de bus route Q46 die van Long Island tot Queens Boulevard gaat, een van de drukste busdiensten van New York City, een van de meest kunstzinnige plaatsen van de wereld.

Het is een mythische route, zoals Route 66 of Highway 61, ‘running by my baby’s door’. Even, heel even dacht ik dat Pierre mij daar had geïnviteerd.

Maar we zijn in Antwerpen. Vanaf mijn prilste kinderjaren kwam ik met mij moeder naar Antwerpen om de kneuterige en amechtige sfeer van mijn noodlottige geboortedorp even te ontsnappen. Ik herinner mij nog het bezoek aan de Grand Bazar op de Groenplaats en de gebakjes bij patisserie Locus op de Schoenmarkt. Na een winkelende namiddag dag (in het begin zat ik alleen in een buggy, later zat mijn jongere broer op mijn schoot in die buggy) nam mijn moeder dan de bus terug naar Boom. Niet de Q46, maar de 52. De bushalte bevond zich, u zal het amper kunnen geloven, in de Quellinstraat, vlak bij dit huis. Deze plaats is voor mij vol herinnering, melancholie en droom. We moesten meestal lopen, mijn moeder kwam vaak wat laat en miste de bus, zodat we hier dan stonden te wachten op de volgende. Dit huis is een symbool van Wachten, van gemiste bussen, van de stilaan intredende duisternis. Later ging ik niet meer naar de Grand Bazar, ik liet mijn moeder alleen winkelen, mijn broer ging niet meer mee. Ik ging naar het ICC op de Meir en maakte kennis met de Internationale Avant Garde van de Hedendaagse kunst. Ik bezocht galerijen en musea en sprak dan af met mijn moeder om de bus terug te nemen. Nog later had ik een Mini Cooper, dan was het gedaan met de bus. Mijn moeder ging alleen met de bus. Ik reed dan in de Mini met mijn lief.

Al deze herinneringen bekruipen mij nu terug op deze plek, mijn dank daarvoor.

Wat is er met de Kunst? Wat kan een psychiater daarvan zeggen? Wat kan ik toevoegen aan de ode die Jan Cambien mocht brengen in de wandelgangen van Andante, een ode waarin ik overigens niet zonder ironie bij herhaling mocht geciteerd worden.

Als het over kunst moet gaan citeer ik graag Charles Bukowski en zijn onvolprezen gedicht “Style”, zoals trouwens gebracht door Ben Gazarra in de film “Erections, Ejaculations and General Tales of Ordinary Madness” uit 1981 (met een oogverblindende Ornella Muti) die ik toen waarschijnlijk in de “Quellin” heb gezien, wat verder in deze straat.

In dat gedicht geeft hij een definitie van kunst die mij wel genegen is : “To do an dangerous thing with style is what I call art”.

Kunst moet scherp zijn, een gevaarlijk gedoe, een stijlvol statement, een vorm van mutilatie, een soort onverwachte pijnlijkheid. Dat is echt wel tegen de tijd.

We staan er niet meer bij stil in welke grote mate een relativistisch, ironiserend discours onze denkwereld heeft doordesemd zodat elke vorm van engagement, al bijna voor haar verschijning, wordt ontkracht in minzame minachting of in hovaardig hoongelach.

De zinloosheid van het bestaan, de onvermijdelijkheid van onrecht en de machteloosheid van de tegenstem lijken de Westerse mens terug te dringen in zijn bangelijk afgeschermde cocon, waarin hij zijn persoonlijke gelukscore amechtig tracht hoog te houden. De kunst, in al zijn diverse verschijningsvormen, laat zich soms mooi in dat plaatje passen en wentelt zich dan in versiering, in de waan van de dag, in het bangelijk bevestigen van wat voorspelbaar en bekend is.

Wat doet Pierre?

Kunst als connecterende kracht

Onze wereld dreigt de verbindingen, die noodzakelijk zijn voor het voortbestaan van de menselijke cultuur te verliezen. De individualiserende en verbrokkelende krachten lijken soms de overhand te krijgen op de collectieve en samenhorige vermogens. Men spreekt van deconstructie, postmoderniteit en het teloor gaan van de Grote Verhalen. Interessant is dat deze termen vooral in de Kunsten worden gehanteerd.

Toch wil ik hier betogen dat Kunst juist fundamenteel verbindend kan zijn. Ze kan mensen samenbrengen over groepen en categorieën die maatschappelijk lijken te splitsen. Ze kan heel verscheidene culturele achtergronden overstijgen en wederzijds bevruchten. De hele kunstgeschiedenis is overigens een verhaal van beïnvloeding en inwerking. Kunst, in al haar verschijningsvormen, bestaat fundamenteel in dit samenspel van verscheidenheid en verbreding. Een al te monolithische kunstvorm doodt de creativiteit en sterft in bloedeloze herhaling. De dialectiek tussen insider en outsider positie, tussen geconsacreerde concepten en afwijkende ideeën, tussen succesvolle evidenties en verwarrende uitzonderingen lijken mij in de Kunst een essentiële rol te spelen. Misschien nog meer dan op andere maatschappelijke terreinen heeft de wereld van de kunstenaars vooropgelopen om het vreemde, het nieuwe, het afwijkende te incorporeren. In de Kunsten kan en moet de kwetsbaarheid van de minderheid zijn plaats vinden, is deze kwetsbaarheid vaak essentieel voor de inspiratie. De verwondingen en de littekens van de mens aan of buiten de rand worden in het creatieve proces vaak omgedraaid tot een kracht die zo ook appelleert aan de broosheid van de Ander. De vreemdeling toont een blik van (h)erkenning, het kunstwerk opent een verbinding, juist door de sublimering, door de onrechtstreekse verschijning. De soms onoverbrugbare bevreemding, de angst, de verstoring van de eigen zelvigheid, kan zo in het kunstige overschreden worden. Het kunstwerk vormt de overschrijding, de veerdienst, de aankoppeling van de wederzijdse vreemdheid.

De werken van Pierre Mertens verstoren de orde, bekrassen de heilige huizen, plagiëren en blasfemeren. Ze vervuilen de iconische beelden met een graffitiachtige overschrijving die rauw en ongepast kan voorkomen. Ze verbreekt en brengt weer terug samen. Ze diept op uit de geconsacreerde geschiedenis en vervormt, deconstrueert, herinterpreteert.

De dichter getuigt van zijn diepe melancholie in een taal die ons raakt, terwijl de depressieve mens ons in zijn droefenis vaak afschrikt. De schilder toont ons met zijn verbeelding de eenzaamheid die we al te vaak negeren. De componist verklankt de vreugde van zijn verloren oorsprong waarvan we het bestaan niet kenden. De acteur drukt het verborgen trauma uit dat we niet willen voelen. Door de omweg die het creatieve proces hanteert, wordt de bevreemding gemilderd. De inherente dreiging van de vreemdheid wordt omgekeerd tot zijn aantrekkelijke kant. De curiositeit overstemt de angst. Misschien is dat wel het wezen van de kunst: het bezweren van de existentiële menselijke angst. Deze betovering is essentieel gericht op de ander, die iets herkent, die zijn hoogst eigen andersheid opent naar de kwetsbaarheid van de medemens. Kunst kan deze kwetsbaarheid tonen, soms heel rechtstreeks, in een rauwe vreselijkheid, soms heel subtiel, in gesublimeerde verschuiving. De intermenselijke communicatie kan bijzonder onhandig en verwarrend zijn. De creatieve taal, in al zijn vormen, kan openingen maken in de inbunkering die ons allen kenmerkt in deze tijden van al te individueel zijn. De kunst is hierin paradoxaal: een uiterst individuele uitdrukking van een authentiek verhaal weerspiegelt aan een even individuele nood van een ander. Soms onverwacht, soms verwarrend of bedreigend. Verbindend, aansluitend, hechtend.

Kunst als drager van complexiteit

Onze wereld is erg ingewikkeld en heel snel veranderlijk. Ondanks dat of waarschijnlijk juist daarom lijken eenvoudige modellen een houvast te bieden voor de hedendaagse mens. Efficiëntie, korte termijn denken, maakbaarheid en berekening, die de schijn geven van beheersing en zekerheid.

Cijfers vervangen de verhalen, tellen komt in de plaats van vertellen. De eenduidigheid van de digitale wereld kent natuurlijk zijn beperkingen en als men de werkelijkheidswaarde ervan teveel doortrekt komt men onvermijdelijk in problemen. Een simplistisch en vlak sjabloon kan maar een beperkte bruikbaarheid hebben.

Kunst brengt ook hier verschil. Zij is meerduidig, gelaagd, interpreteerbaar, tot frustratie van velen. Zij appelleert niet alleen aan de ratio, maar toont haar beperkingen door vaak het irrationele, het onbegrijpelijke, het onmogelijke tot onderwerp te maken. Haar subjectieve wezen past niet goed in de ordening die we proberen te maken om de onbegrijpelijkheid van het leven af te weren. De kunst verwijst juist naar deze andere laag, naar de ondoorgrondelijkheid die misschien wezenlijker is. Zij kan openingen creëren om de barst in het gladde oppervlak op te merken, voorbij de kunstjes, voorbij de prettige verstrooiing. Zij kan een blik werpen op de duisternis, op wat we niet weten en zelfs niet kunnen weten op wat de dagelijkse praatjes niet zomaar vatten. Ook de professionele criticus, de ervaren recensent, de erudiete kenner schiet echter wezenlijk te kort, de kunst zorgt voor controverse, voor verschillende meningen, voor verwarring en consternatie. De dingen kloppen niet, juist zoals het leven zelf niet klopt.

Pierre Mertens borstelt zijn figuren grotesk en vormeloos, maakt de hoofden te groot, de lichamen verminkt, als een componist bedenkt hij atonale klanken en ontregelende ritmes, als een schrijver brengt hij de tijdslijn van de kunstgeschiedenis in de war en laat de doden spreken. De werken lijken allen een werkelijkheid af te spiegelen die niet strookt met onze nood aan zekerheid, maar op een of andere manier ook juister is, meer toont dan wat we gewoon zijn te zien. Daardoor krijgen we terug een idee van onze inherente onbegrijpelijkheid, die ook de subjectieve werkelijkheid van de kunstenaar overstijgt. Het kunstwerk leidt een geheel eigen leven, gaat weg uit de biografische individualiteit van de maker en treedt in de wereld waar het appelleert aan het hoogst eigen verhaal van de kijker, luisteraar en lezer. Deze kunst engageert, maar wel op een totaal andere wijze dan het onvermoeibare engagement dat Pierre toont in zijn andere levens.

Dit engagement is anders, het is eigen aan de kunst zelf, zij moet niet worden nagejaagd, zij is geen doel op zich. De kunst die te expliciet bedoelingen en boodschappen najaagt wordt pamflettair en propagandistisch en verliest zo haar creatieve kracht. De kunst emergeert vaak uit onbewuste drijfveren, waarbij de maker verbaasd kan zijn over de interpretaties en gevolgen. Het is juist dit onvoorspelbare labyrint van onbedoelde betekenis die oorspronkelijk is. Het kunstwerk fungeert als drager van veelvuldige potentiele eigenschappen, waarin verschillende verklaringen naast elkaar kunnen bestaan, vaak tegenstrijdig of verwarrend. De meerduidigheid kan bestaan in ingewikkelde constructen, maar ook in grote eenvoud, waardoor ze soms spirituele eigenschappen wordt toegedicht. Een overrompelende beeldenwisselingen en labyrintische constructen disharmonische chaos, het werk van Pierre doet soms alles door elkaar en tegelijk. Zij gaat alle kanten uit, zij zoekt, zij vindt niet maar zij neemt ons mee, zij toont wat wij niet kennen en toch herkennen. Dit werk brengt verwondering.

Kunst als existentiële noodzaak

De hogergenoemde argumenten zouden kunnen suggereren dat ik deze kunst zou willen promoten als een middel om het moeilijke samenleven te milderen, om het ongenoegen te temperen, de tristesse te troosten.  Mijn visie is veel fundamenteler. Kunst zie ik als een diepgewortelde behoefte van de menselijke natuur, als een wezenlijk deel van het mens-zijn zelf. De mens wordt mens in de creatieve daad en overstijgt zo zijn instinctmatige zijn. De taligheid, de verbeelding, de expressie in alle zintuiglijke lagen waarin mensen zich uitdrukken tegenover mekaar vormen de cultuur waarin het verschijnsel mens bestaat.

De hoogst fundamentele angst van het menselijke dier, te weten dat hij hier maar tijdelijk op aarde rondwaart en dat zijn tijd hier futiel en moeizaam is, geeft aanleiding tot menselijke bedrijvigheid die deze angst uitdrukt, uitvergroot, sublimeert en overstijgt. De schilder benadert het ideaaltypische schoonheidsconcept of de radeloze ontsteltenis van de nachtmerrie, hij evoceert de ontdekking van de hemel of het einde van de nacht, fluistert de trap naar het paradijs of schreeuwt de snelweg naar de hel, verbeeldt zowel de grote schoonheid als de bittere tranen.  

In deze werken spiegelen wij ons bestaan, in bewondering, in afkeer, in onverschilligheid of in obsessioneel najagen. Deze kunst versiert niet, is geenszins een bijproduct van andere menselijke activiteit, ze is diepmenselijk verankerd. Ze geeft uitdrukking aan de onzegbaarheid (ook in de literatuur) van deze fundamentele existentie, ze diept iets op, appelleert, confronteert ook. Ze is ‘dangerous’ weliswaar met style.

Het is dit laatste gebeuren, de confrontatie die de mens soms ook schuwt. Het niet willen of kunnen zien van de soms harde spiegelingen van ons bestaan noopt dan tot wegkijken, tot niet willen weten, tot afsluiten voor wat kan raken. Deze” strijd” tegen de kunsten is een strijd tegen het bestaan zelf, tegen de menselijkheid in zijn essentie. Omdat het nooit mogelijk is om de menselijke creativiteit geheel  uit te sluiten, wordt ze dan vernietst tot vrolijke versiering, tot tijdverdrijf en verdovend vermaak, tot ontspiegeling, niet-betekening en voorspelbare conformering. 

De geschiedenis leert ons echter dat de kunst steeds weer oprijst in zijn dwarsigheid, dat de oprisping nooit weg is, dat de outsider-positie steeds weer opduikt, stoort en verrast. Meer dan elke andere menselijke activiteit ontsnapt ze steeds weer aan de dreiging van maatschappelijke aanpassing. De kunst loopt voorop in haar visionaire verbeelding, soms zonder dat zelf te beseffen.

De kunstenaar kan een wereld oproepen die kan zijn, zal zijn of moet zijn, niet gehinderd door de wetten van de materiele werkelijkheid. Dit aanzetten tot vrij denken vergroot onze verbeelding en zet ons aan tot gedachten die zonder deze stimulans ongedacht en onvermoed waren. In de geschiedenis van de menselijke cultuur is de kunst een essentiële kracht. Het is merkwaardig hoe een hoogtechnologische samenleving van deze stelling lijkt te vervreemden en als zodanig zijn eigen geschiedenis miskent.  De dreigende zinledigheid die onze moderne wereld kenmerkt hangt hiermee nauw samen.

In het moeilijke besef van zijn eindigheid zal de mens creëren en hierin een diepgewortelde nood aan betekenis trachten te geven. Omdat deze poging nooit helemaal lukt, in de onmogelijkheid om een definitief antwoord te geven op het tekort van het menselijke zijn, blijft de menselijke geest eeuwig zoeken naar vormen en methoden om zijn tekort te overstijgen. Over alle tijden van de menselijke geschiedenis hebben alle culturen dit gedaan en zullen ze dit blijven doen. De onmogelijkheid om te ontsnappen aan zijn beperkte lot drijft de mens tot soms geniale vondsten en haast universeel erkende scheppingen waarin de Goddelijkheid doorschemert.

Boven ons echtelijke bed hangt nu sinds enkele jaren een groot tapijt van Pierre Mertens, het is een bekraste Bacon, een getormenteerde evocatie van rauw vlees en gepassioneerde drift, het spiegelt zich oneindig door de hele kamer. Dangerous and with style.

En het werkt, Pierre, het werkt.